Waarom schaffen we dierproeven niet af?

Proefmuis

Waarom schaffen we dierproeven niet af?

Laatste update: 17-04-2024

Nederland zo snel mogelijk proefdiervrij: dat willen politici in de Tweede Kamer. Want dierproeven zijn vaak pijnlijk en bijna alle proefdieren worden na de proef gedood. Maar volgens wetenschappers die de dierproeven doen, kunnen we niet zonder. Waarvoor gebruiken we dierproeven? Hoeveel proefdieren zijn er in Nederland? Hoe kun je het aantal dierproeven verminderen? En wanneer mogen onderzoekers eigenlijk dierproeven doen?

Wat is het nut van dierproeven?

Onderzoekers in de gezondheidszorg gebruiken proefdieren als een model voor de mens. Om beter te begrijpen hoe ziektes ontstaan en hoe we ze kunnen voorkomen of genezen. In vroeger tijden sterven in West-Europa veel mensen aan polio, difterie en tetanus, maar mede dankzij dierproeven zijn er vaccins verkrijgbaar. Ook is de Nobelprijswinnende immunotherapie een succesvolle therapie om kanker te genezen, op proefdieren getest en ontwikkeld.

De meeste Nobelprijzen in de geneeskunde zijn uitgereikt aan onderzoek waar proefdieren aan te pas kwamen. Bekijk de hele aflevering van Focus.

Daarnaast testen farmaceuten medicijnen eerst op dieren en dan pas op mensen. Zo kunnen ze de bijwerkingen onderzoeken. Ook weten we dankzij dierproeven welke chemische stoffen onze gezondheid en het milieu bedreigen. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit houdt jaarlijks bij hoeveel proefdieren er gebruikt worden. Dit aantal schommelt al jaren rond de 450.000 dieren.

Naast model voor de mens, zijn proefdieren ook model voor soortgenoten. Dierenartsen in opleiding gebruiken dierproeven om kennis op te doen. Geneesmiddelen voor jouw zieke kat zijn op proefkatten getest. En niet alleen geneesmiddelen, maar ook bijvoorbeeld dierenvoeding. Ook de bio-industrie voert dierproeven uit om het dierenwelzijn te verbeteren. Tijdens de coronapandemie zijn in Nederland met toestemming van de eigenaren ook bloed en swaps op huisdieren afgenomen.

kattenvoer

Wat niet mag, is het testen van cosmetische producten op dieren. Dat is sinds 1997 verboden in Nederland en sinds 2004 in heel Europa. Ook de losse ingrediënten van cosmetica mogen sinds 2009 niet meer op dieren getest worden. Producten die buiten Europa op dieren zijn getest, mogen sinds 2013 in Europa niet meer in de schappen staan. Ter vervanging van proefdieren gebruiken onderzoekers ogen die overblijven als restafval in het slachthuis en celkweekjes met menselijke huidcellen.

Mensapen gebruiken voor onderzoek mag in Nederland sinds 2002 niet meer. Dit betekent niet dat we helemaal geen onderzoek meer doen op apen. Andere apensoorten, zoals resusapen, worden meestal gebruikt voor gedragsonderzoek en het testen van medicijnen. Wel wordt het gebruik van apen zo veel mogelijk beperkt, omdat deze dieren zich het meest bewust zouden zijn van pijn en ongemak. Daarom is het gros van de proefdieren in Nederland, een kleine 70 procent, rat of muis. Om het lijden van de muizen en andere proefdieren zo veel mogelijk te beperken, houden verzorgers en onderzoekers de proefdieren nauw in de gaten. Ook is goede huisvesting van de dieren verplicht. Zo heeft een proefdier genoeg ruimte en soortgenoten nodig.

Otto Boerman, directeur proefdierfaciliteit Radboud UMC, laat het muizenhuis in zijn faciliteit zien. De hele aflevering zie je op NPO Start.

Hoeveel proefdieren zijn er in Nederland?

Het onderwijs, de wetenschap en de industrie gebruiken in Nederland zo’n half miljoen dieren voor het doen van proeven, blijkt uit de jaarlijkse cijfers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Dat is evenveel als in België en een stuk minder dan in 1978, toen er nog ongeveer anderhalf miljoen proefdieren werden gebruikt in Nederland. Wereldwijd wordt het aantal proefdieren geschat op 115 miljoen, waarvan 12 miljoen in Europa. Duitsland voert binnen Europa de meeste dierproeven uit, namelijk een kleine 3 miljoen.

De meeste dieren worden aan het einde van een proef gedood. Ongeveer twee procent van de dieren wordt voor meerdere proeven gebruikt.

Muis proefdier

Alle proefdieren worden speciaal voor onderzoek gefokt, maar zijn niet altijd bruikbaar. Dat komt doordat voor de proeven een bepaald geslacht muizen nodig is of een andere specifieke eigenschap. Dit zorgt in Nederland voor een fokoverschot dat de laatste jaren schommelt rond een half miljoen. Opgeteld bij het aantal proefdieren komt dit neer op zo'n 900.000 proefdieren.

Hoeveel gebruiken we er jaarlijks, waarvoor gebruiken we ze eigenlijk? En: is een proefdier meer waard dan een huisdier? De NCRV legt het uit in Altijd Wat.

Hoe verminderen we het aantal dierproeven?

Er worden steeds meer diertjes voor onderzoek gebruikt die zo eenvoudig zijn dat ze zich waarschijnlijk niet bewust zijn van pijn of ongemak. Voorbeelden zijn platwormen, fruitvliegjes en embryo’s van zebravisjes. Ongewervelde dieren vallen volgens de wet niet onder proefdieren.

Ze zien er misschien niet nuttig uit, maar hebben al wel zes Nobelprijzen in de wacht gesleept: fruitvliegjes. NOS op 3 zocht uit waarom wetenschappers zo dol op ze zijn.

Tjakko van Ham is een van de onderzoekers die met embryo’s van zebravisjes werken. Deze embryo’s zijn pas proefdieren zodra ze zelf beginnen te eten. Dat moment is lastig te bepalen. Bij het Nederlands Herseninstituut houden onderzoekers zeven dagen aan, maar bij het Erasmus MC is een zebravis na vijf dagen al een proefdier. Van Ham ontdekte in embryo’s van zebravisjes waarom twee kinderen van dezelfde ouders kort na de geboorte overleden. De oorzaak was een erfelijke hartaandoening.

Is de zebravis de nieuwe labrat? Hij lijkt meer op de mens dan je zou denken.

Onderzoekers werken aan methodes om proefdieren helemaal links te laten liggen. Dit zijn geavanceerde celkweekjes met menselijke cellen. In plaats van één celtype in een kweekschaaltje, is een organoïde een verzameling van verschillende celtypes die samen een menselijk mini-orgaantje vormen. Bijvoorbeeld mini-darmen of mini-hersenen. Het nadeel is dat deze orgaantjes niet in hun natuurlijke omgeving zitten. Dat kan kunstmatig worden nagebootst door de menselijke cellen in een chip te plaatsen. De chip zorgt voor het aanvoeren van voedingsstoffen en afvoeren van afvalstoffen. Met zo’n organ on a chip is het onderzoekers gelukt om de bewegingen van longblaasjes na te bootsen en zo een mini-long te maken.

Long op een chip

Het grote voordeel van deze mini-orgaantjes ten opzichte van muizen of andere proefdieren is dat organoïden menselijke cellen zijn. Het is zelfs mogelijk mini-orgaantjes van cellen van een specifieke patiënt te maken. Zo kan een onderzoeker bijvoorbeeld testen welk medicijn voor een bepaalde patiënt het beste werkt.

Hans Clevers legt uit wat een organoïde is en wat we er aan hebben. De hele aflevering bekijk je hier.

Hoewel het combineren van organoïden en chips veelbelovend is voor het maken van een compleet systeem, zijn we nog niet zo ver. Onderzoekers koppelen al verschillende kunstmatige organen aan elkaar, maar een compleet systeem is nog in ontwikkeling. Daarom hebben we aanvullend ook proefdieren nodig. Bovendien “is een mens of een muis of een aap meer dan de som der delen, uiteindelijk moet je toch laten zien dat het in een integraal lichaam ook waar is”, legt Hans Clevers, groepsleider bij het Hubrecht Instituut, uit.

Door handiger gebruik te maken van informatie uit eerder onderzoek, kunnen we ook proefdieren besparen. Bij Nederlandse universiteiten publiceren onderzoekers steeds vaker negatief onderzoek. Dit is onderzoek zonder resultaat dat zich lastig laat publiceren. Maar door dat onderzoek toch ergens openbaar te maken, voeren andere onderzoekers niet nog een keer hetzelfde onderzoek uit.

Door handiger gebruik te maken van informatie uit eerder onderzoek, kunnen we ook proefdieren besparen.

Ook kunnen we het aantal dierproeven verminderen door kennis uit eerder onderzoek in computermodellen te stoppen. Zo zijn er heel veel stofjes waarvan we het effect op de mens al kennen. Door deze effecten in een computermodel te stoppen, kunnen we de risico’s van vergelijkbare stoffen voor mensen voorspellen.

Wanneer mag je dierproeven doen?

In Nederland moet een onderzoeker drie verschillende commissies van het nut van zijn onderzoek overtuigen voor hij een vergunning krijgt. In andere Europese landen is er vaak maar één commissie. Ook moet de onderzoeker bij een instelling werken die een vergunning heeft om dierproeven te mogen doen. In totaal duurt het vaak minimaal een half jaar voordat een onderzoeker met zijn eerste proef kan beginnen. Het frustreert onderzoekers dat de commissies naar de bekende weg zouden vragen, wat het proces volgens hen onnodig vertraagt. Terwijl de commissies uiteindelijk toch bijna alles (97%) goedkeuren.

De commissieleden zelf vinden het goed dat ze de onderzoekers op deze manier dwingen kritisch over hun onderzoek na te denken. Toch zijn ook zij niet blij met de huidige constructie. Ze hebben namelijk het gevoel dat ze proeven moeten goedkeuren waar ze niet achter staan. De commissies moeten bijvoorbeeld oordelen over proeven op muizen voor het testen van medicijnen, terwijl de muis voor dit soort onderzoek geen goede voorspeller blijkt voor de mens. Medicijnen die muizen genezen, hebben lang niet altijd hetzelfde effect op mensen. 

Omdat de commissieleden het op de markt brengen van nieuwe medicijnen niet willen dwarsbomen, keuren ze de proeven met pijn in hun buik toch goed. Want zonder goedkeuring van de commissie kan een medicijn niet worden getest volgens eisen van internationale regelgeving, en kan het dus niet op de markt komen.

Oordelen over het nut van een dierproef is nog niet zo makkelijk. Leden van een dierexperimentencommissie laten zien hoe zij deze proef voor het onderzoeken van traumatische hersenschade beoordelen. Bekijk hier de hele aflevering.

Onderzoekers hopen steeds minder proefdieren te gebruiken en steeds meer buiten het proefdier te kunnen doen. Ze sluiten niet uit dat we ooit zonder kunnen, maar pleiten voor een geleidelijke overgang. Als dierproeven morgen worden afgeschaft, kunnen we volgens onderzoeker Martje Fentener van Vlissingen niet al het onderzoek voortzetten. “Dat onderzoek is ook voor huidige patiënten van belang”, zegt ze. Daarnaast is ze bang dat als Nederland proefdiervrij wordt, onderzoekers naar het buitenland vertrekken en dat Nederland internationale aansluiting gaat missen op wetenschappelijk terrein. Fentener van Vlissingen heeft dan ook moeite met de doelstellingen van de Tweede Kamer om het aantal dierproeven snel te verminderen. Zoals met het programma 'Transitie naar Proefdier-vrije Innovatie' (TPI) om snel op zoek te gaan naar alternatieven voor dierproeven. “Een van de dingen die ik niet begrijp is dat ons parlement de ene week discussieert over medische vooruitgang, kenniseconomie en allerlei fantastische ambities voor Nederland, en een week later over dierproeven en of dat niet minder kan. Er is een verband tussen die beide zaken.”

Waarom we volgens onderzoekers van het Erasmus Dierexperimenteel Centrum niet zonder dierproeven kunnen. Op NPO Start bekijk je de aflevering in zijn geheel.

In het kort

  • Onderzoekers gebruiken proefdieren vooral bij het ontwikkelen van geneesmiddelen en het verhogen van inzicht in schadelijke stoffen. Het testen van cosmetica op dieren is in Europa verboden.

  • Het onderwijs, de wetenschap en de industrie gebruiken in Nederland jaarlijks ongeveer een half miljoen dieren voor het doen van proeven. Wereldwijd wordt het aantal proefdieren geschat op 115 miljoen.

  • Onderzoekers werken aan methodes waardoor we in de toekomst hopelijk geen proefdieren meer nodig zullen hebben, zoals organoïden die menselijke organen nabootsen.

  • In Nederland moeten onderzoekers drie verschillende commissies overtuigen van het nut van hun onderzoek voordat ze dierproeven mogen doen. Niet iedereen is tevreden over dit systeem. 

En je weet het!

Anderen het laten weten?

Ook interessant om te weten